2006

Dun!  

Uitgegeven bij Davidsfonds-Infodok
Thema: Eetstoornissen, uitbreken, vriendschap.
Omslagillustratie: Bart Luijten (ontwerp)
Doelgroep: 13+
ISBN 90-5908-192-7
144 pagina’s

Dun! Won een Boekenwelp in 2007, was genomineerd voor de Kinder- en Jeugdjuryprijs en De Kleine Cervantes 2007.

 

Fee wil zich volvreten en liefst zo snel mogelijk. Geen betere plek dan de stad om te slagen in haar plan. ze laat er zich op sleeptouw nemen door een gids op vier poten, een jonge ober, de eenzame Herman, de stille visser Pim en zijn bijdehante zus Celine. Maar nog het meeste steun vindt Fee bij haar moeder die, al is ze dan dood, haar toch blijft waarschuwen voor de gevaren van de grote stad.
Maar wanneer Fee weer eens blind en doof is geweest voor die waarschuwingen en bovendien tot de verkeerde Jezus heeft gebeden, blijft haar moeder weg. Hét moment voor Fee om te vertellen wat er voor gezorgd heeft dat ze uitgerekend hen, die ze het liefste heeft, een lesje wil leren: haar vader en zijn Li Jun fucking Chan, haar hartsvriendin Pie (en dan vooral hatelijke Hadewijch!) en haar eigen Hendrik.
En waarom ze nooit of nooit meer dun wil zijn

 'Hoor je de vliegtuigen?' vroeg Celine.
'Ja.'
'Hier vlak boven zetten ze hun landing in', zei ze trots.
'Ooit crasht er misschien een, net boven jullie huis', zei ik. Het was eruit voor ik het goed besefte.
'Laat het ons hopen', zei Celine.

 

Fragment:

Douchegedachte / ontbijtbuffet

 Om zes over halfacht werd ik wakker. Mijn benen waren stijf van het lopen. Zelfs in mijn slaap liep ik nog. Ik had gedroomd over een gigantische braadkip met papieren kroontjes, die als een komeet op de aarde afstevende.

Voor ik uit bed kwam, dacht ik na over de avond ervoor. Ik had een medium friet, twee burgers, een beker cola, achttien langoustines, kreeftensaus, een Frans brood en een glas witte wijn op. De man van het hotel vroeg niet naar mijn identiteitskaart. Ik checkte in onder een valse naam, een vals adres en een valse leeftijd. Ik kreeg de sleutel van kamer zestien op de tweede verdieping. Ik vroeg of ik me misschien ergens kon wegen. De man dacht eerst dat het een grapje was. Hij lachte dwaas. Toen hij aan mijn gezicht kon zien dat ik het meende, zei hij dat hij alleen maar een keukenweegschaal had waarop je maximum drie kilo kon wegen, maar dat ik het wel eens mocht proberen. Hij boog zich over de balie en bekeek me geamuseerd van mijn voeten tot mijn kruin. Ik schold hem niet uit want ik wilde wel slapen. Hij vroeg of ik ontbijt wilde en ik antwoordde ‘natuurlijk’, waarop hij zei dat het ontbijt de belangrijkste maaltijd van de dag was. Waarop ik dan weer zei dat mijn moeder me dat al honderdduizend miljoen keer had gezegd. Hij moest lachen om het getal en zei dat mijn moeder dan wel een erg verstandige dame moest zijn. Ik antwoordde dat ze dood was, kanker, verzon ik. Hij gaf me de sleutel en wenste me goedenacht.

Onder de douche dacht ik aan mijn pa en aan Li Jun Chan. Ik dacht gewoon aan hen. Ik bedoel, er gebeurde niets. Ik zag hun gezichten, niet hun lichamen. En ik dacht ook aan Hendrik. Dat hij mij belde, dat mijn pa opnam en Hendrik vroeg of ik er was omdat hij me wilde vragen hoe lang ik nog boos op hem bleef. Mijn pa kwam op mijn kamerdeur kloppen en na de gebruikelijke twintig seconden wachten stak hij zijn hoofd naar binnen.  Tegen Li Jun Chan zei hij dat ik er niet was en dat mijn bed er onbeslapen uitzag. Zij antwoordde dat ik misschien bij Pie was gaan slapen (het uitspreken van de naam van mijn vriendin bezorgt haar een ongelooflijk machtig gevoel). Mijn pa zei tegen Hendrik dat ik bij Pie was blijven pitten en Hendrik haakte in. Nog voor Hendrik naar Pie kon bellen, waar Hadewijch de telefoon opnam, zette ik de douche en mijn gedachten uit.

Ik bekeek mezelf in de spiegel boven de wasbak,  van mijn heupen tot mijn hoofd. Je kon niet zien dat ik gisteren gegeten had wat ik nog nooit in mijn hele leven op één enkele avond gegeten had.
Uit mijn handtas pakte ik een schone onderbroek. Ik keek naar de binnenkant van de onderbroek die ik aanhad, deed die uit en hield ze tegen het licht van de badkamerspiegel. Ik gooide ze in de pedaalemmer naast de wc. Dat vond ik haast spannender dan mijn hele verdwijning.
Op de eerste verdieping kon ik ontbijten. Op de trap overwoog ik meteen naar het station te gaan. Ik zou daar wel een broodje kopen. Ik kon het niet laten om toch even door de deur van de ontbijtzaal te gluren. Er zaten vijf mensen aan drie tafeltjes. Twee, een, een, een. In dit hotel mocht je eenzaam eten. Het ontbijtbuffet nam anderhalve muur in beslag. Je hoorde links bij de broodjes te beginnen om bij de gebakken eitjes en spek aan de rechterkant te eindigen. Er stonden drie verschillende soorten jam, hagelslag en chocoladepasta, gesuikerde koeken, donuts, cornflakes, yoghurt, fruit en honing. Ik nam overal wat van en had twee borden nodig. Niemand keek naar me. Ik koos een tafeltje voor twee en zette de borden zo neer dat het leek of er straks iemand bij me zou komen zitten. Ik verzon voor een ogenblik dat dat Hendrik zou zijn. Daarna Pie, zonder Hadewijch. Ik hield het bij mama. Aan wat fruit had ze genoeg, zei ze. Ik at alle andere dingen op.

Anderhalf uur later stond ik in de vertrekhal van het station. Mijn buik deed zeer. Alles vocht binnen in mij. Ik besloot nog een dag te blijven.

Terug naar boekenoverzicht