2005
Uitgegeven bij Davidsfonds-Infodok
Thema: Theater, verliefdheid, vriendschap, alternatief zijn, straattheater, opzoek naar jezelf.
Omslagillustratie: Mark Janssen
Doelgroep: 10+
ISBN 90-5908-169-2
126 pagina’s
Na Zeven zinnen en een zoen en Een pruik en paarse lippen gaat Dina opnieuw een toneelavontuur tegemoet.
Deze keer mag ze zelfs schitteren in de Stadsschouwburg. Nochtans heeft mama het er knap lastig mee. Het gaat plots allemaal zo snel voor haar.
Flauwekul, vindt Dina. En van de mensen die haar voortdurend met zus blijven vergelijken, heeft ze ook meer dan genoeg. Zij is toch gewoon zichzelf!
Tegen Marlowies, die het erg druk heeft met een missverkiezing, vertelt ze maar beter even niet dat ze de rol van verschrikkelijke Juta maar wel van een lieve meid voor haar rekening neemt. En tegen Senne, die de vereniging van zijn moeder verlaat om eindelijk op eigen benen te staan, vertelt ze dat haar zus er niets mee te maken heeft dat ze op het podium van de schouwburg mag acteren. Enkele piepkleine leugentjes stapelen zich op…
Gelukkig is er nog altijd Martijn die haar, zoals steeds, helpt met haar tekst. Maar dan moet hij wel wat vaker thuis zijn en niet steeds in het shoppingcenter rond Marlowies hangen!
Uiteindelijk is het Senne die Dina wel eens zal leren wat jezelf zijn is. Want volgens hem is dat eigenwijs zijn en alternatief en vooral dreadlocks hebben.
Door hem gaat voor Dina een heel nieuwe toneelwereld open die perfect bij vieze kleren, storm, en haar in koekjes past.
Maar past het ook bij Dina?
Fragment:
Lief dagboek,
Vandaag regende het pijpenstelen! Toch zijn we met zijn allen naar het Open air Theaterfestival getrokken. Marlowies en ik, Martijn, mijn zus en Lex, zelfs mama en papa gingen mee.
We waren al nat tot op onze huid toen we nog maar honderd meter gelopen hadden.
Mama zei dat we beter teruggingen maar papa vond dat flauw en uiteindelijk wilde mama niet onderdoen. Maar al bij het eerste café dat we tegenkwamen besloot ze warme chocomelk te gaan drinken.
Ik zei dat ik nog even verder wilde kijken, dat ik wel terug zou komen. Maar dat ik eerst nog iets wilde controleren.
Marlowies wilde weten wat en ging met me mee.
Zie je wel, dacht ik eerst. Podium veertien, was leeg. ‘Regendans’ stond er op een bordje te lezen. Dat vond ik wel een geschikte naam.
Marlowies en ik gingen er zitten, we werden drijfnat maar ik moest haar vertellen over Senne. Toen ik haar vroeg of zij misschien wist wat een ziel was, zei ze dat mensen dat woord zo makkelijk gebruiken, zonder te weten wat het is. Zoals liefde en vriendschap zei ze. Dat waren ook zo woorden. We keken naar elkaar alsof wij dat woord wél kenden, alsof wij het uitgevonden hadden.
‘Met hart en ziel ergens voor gaan’, zei ze. En ik knikte, dat deden wij toch wel, vond ik.
We gingen nog een eindje verder, omdat ik dat wilde. Nat waren we toch al.
Aan het einde van het plein stond een drommetje mensen onder paraplu’s en in regenjasjes.
Op podium twintig stond een jongen met kegels en balletjes te gooien. Hij had een berenbroek aan en sandalen en een trui met vieze vegen. En hij had dreadlocks. Ze waren misschien nep, maar het zag er super eigenwijs uit.
‘Dat is Senne’, zei ik tegen Marlowies.
Toen hij klaar was, ging hij met een hoed rond.
‘Je ziet er geweldig uit, zei Senne. Hij wees naar de plaid om mijn middel. Ik keek naar omlaag en moest erom lachen. De hakjes waren er erg fout bij maar Marlowies stond erop dat we ze allebei zouden dragen, hondenweer of niet.
We zegden tegen Senne dat we nu geen geld mee hadden, dat onze ouders wat verderop in het café zaten en dat we wat centen gingen halen.
Senne vond het best. Er hing een regendruppel aan zijn neus.
X, je Dina
Lieve lachjes en een leugen
Eindelijk is het zover: de toneelvereniging waarbij Dina aangesloten is gaat weer van start met een nieuw theaterstuk. De zenuwen gieren haar door de keel, maar ook door die van Marlowies en Martijn, haar beste vrienden, want er zal een heuse auditie aan voorafgaan. Mevrouw Hartman, de oprichtster van de groep, heeft immers beslist dat deze keer niet iedereen mag meespelen. Wie uit de boot valt zal op een andere manier aan de productie moeten meewerken. Want theater is arbeid! Mevrouw Hartman vindt dat het maar eens gedaan moet zijn met medewerkers die alleen maar willen schitteren en niet de handen uit de mouwen willen steken. Theater is toch ook grimeren, soufleren, licht en muziek, schilderen en timmeren?
Alhoewel, komt het idee wel helemaal van haar?
Iedereen kijkt uit naar de komst van een nieuwe, jonge regisseuse die de groep een heel andere manier van theatermaken zal laten zien.
Bij welke groep zal Dina en haar vrienden terechtkomen? Bij de spelers of bij de bouwers? En waarom is Dina zo erg onder de indruk bij het zien van die nieuwe regisseuse?
Extra!!! De vier Dina-verhalen sluiten iedere keer af met interessante theatertips- en weetjes!
fragment:
Marlowies en ik halen Martijn op. Het is hij die de deur voor ons openmaakt.
‘Klaar?’ vraag ik.
‘Weet ik niet’, zegt hij.
‘Nou, je hebt je kleren aan, je schoenen aan en je haar staat stevig in de gel, Martijn. Mij lijk je klaar’, zegt Marlowies. Ze lachen superlief naar elkaar en geven dan elkaar een zoen op de wang. Dan is het mijn beurt. Zijn wangen ruiken naar een zalfje.
‘Voor wie ruik jij zo lekker?’ plaag ik.
Martijn haalt zijn schouders op en bloost een beetje.
‘Voor de nieuwe, jonge regisseuse’, zegt Marlowies.
‘Is dat zo, Martijn?’ Ik geef hem een stomp op zijn schouder.
‘Hou op’, zegt hij.
‘Zou het helpen?’ vraagt Marlowies. Ze klinkt alsof ze het meent.
‘Lekker ruiken?’
Ze knikt.
‘Misschien wel’, zeg ik.
‘Nou, dan hebben wij alvast een achterstand’, zegt Marlo.
‘Heb jij je niet gewassen dan?’ Ik trek mijn neus op.
‘Ik bedoel: wij zijn meiden.’
‘Goed opgemerkt, Marlo’, zeg ik. ‘Sinds ik meer rokken draag, vergist niemand zich nog.’
Martijn ligt in een deuk. Zijn lach klinkt zenuwachtig.
‘Als die regisseuse een jongensgek is, dan hangen we’, zegt Marlowies.
‘Niet als ze op meiden valt’, zegt Martijn.
‘Ach, gadver’, doet Marlowies.
En weg zijn we.
Op de fiets herhalen we teksten die we nog kennen van vorige stukken. Martijn doet Belle en ik het Beest. Marlowies zingt een liedje uit het stuk ter ere van de jarige gemeente en samen doen we Gemene Gaston. We proesten het uit en doen om beurten volslagen idioot, maar in alles wat we doen weerklinken onze zenuwen. Martijn doet de A e i o u’s van Marlowies en trekt gekke bekken om de spieren in zijn gelaat te trainen. Allemaal oefeningen die mevrouw Hartman ons heeft aangeleerd.
‘Misschien is het allemaal voor niks, hoor’, zeg ik tegen Martijn.
‘Wat?’
‘Je uitsloverij’, zeg ik. Omdat dat best gemeen klinkt, gooi ik er een sympathiek lachje achteraan.
‘Och’, doet hij.
‘Je mag dan wel ietsje meer kans maken omdat je een lekkere vent bent’, zeg ik, en ik kijk schuin naar Marlowies die zich duidelijk zit af te vragen wat ik nu weer ga vertellen, ‘maar je bent en blijft een vent.’
‘Wat bedoel je daar nou mee?’ piept Martijn.
‘Ik zie jou eerder een decor bouwen dan wij’, zeg ik.
Marlowies knikt. ‘Is zo.’
Martijn lacht. ‘Denk je dat de meisjes zullen geselecteerd worden omdat die geen spieren hebben?’ vraagt hij.
‘Hola, kerel’, zegt Marlowies. ‘Zal ik jou eens een dreun verkopen?’
‘Mij best’, zegt Martijn. ‘Dan zien we meteen wie hier het best de zware taken voor haar rekening kan nemen.’
‘Zou je het erg vinden?’ vraag ik.
‘Als zij het zware werk doet?’ Martijn wijst met zijn neus naar Marlowies.
‘Nee, als je niet zou mogen meespelen.’
‘Zou ik best vinden’, zegt hij. In één beweging springt hij van zijn fiets en plaatst die tegen de muur van de theaterzaal. Nog voor Marlo en ik beseffen dat we er al zijn, gaat Martijn naar binnen.
‘Zou hij dat menen?’ vraag ik aan Marlowies terwijl ze onze fietsen met haar slot aan elkaar vastmaakt.
‘Ik denk dat Martijn hartstikke mee zal doen’, zegt ze.
‘Waarom?’
‘Weet ik niet.’
Ik zie aan haar gezicht dat ze het echt niet weet. Niet eens waarom ze zoiets zegt. En wat nog gekker is: om een of andere reden denk ik dat ze nog gelijk heeft ook. |
|