2010

Verre vrienden en een vlek

Uitgegeven bij Davidsfonds- Infodok

Wanneer haar ouders besluiten om naar de andere kant van het land te verhuizen, stort Dina’s wereld in. Ze is ervan overtuigd dat ze haar beste maatjes Marlowies, Martijn en Senne kwijtraakt. Misschien kan ze via het internet of haar mobieltje nog contact houden met haar verre vrienden. Maar dooft vriendschap met behulp van een scherm en een klavier niet langzaam uit?

Dina weet een ding zeker: in haar nieuwe dorp, in de saaie nieuwbouwwijk zal ze nooit vrienden maken. Zeker niet met de identieke tweelingzusjes van de overkant, die ze niet uit elkaar kent. Of met Bas, een vreemde snuiter met zwarte krullen die wat verderop woont. Schuin tegenover haar woont dan weer een gezin dat bidt op een matje. Die mensen begrijpt ze vast niet eens. En wat met toneel, haar grote passie? Zal ze zo ver van huis nog eens op de planken staan?

Do Van Ranst en Dina zoeken samen hun weg in het nieuwe dorp. Verre vrienden en een vlek is het vijfde Dina- avontuur. Een gevoelig en grappig verhaal over afscheid nemen en opnieuw beginnen, over vriendschap, vooroordelen en theater natuurlijk!

Terug naar boekenoverzicht

Eline wordt een ster

Uitgegeven bij Standaard Uitgeverij
Een boek in de Wablieft-reeks. www.wablieft.be

Eline is het dorp en de bekrompen mentaliteit meer dan zat. Het is uit met Frank, haar vriendje. Haar ouders zeuren heel de tijd en de opvoeding van haar kleine, zwakbegaafde broer, Arthur, lijkt belangrijker dan haar volwassenheid. Eline besluit haar leven een andere wending te geven. Eline gaat het maken. Ze is mooi, ambitieus en vastberaden!
Een productiehuis schrijft een auditie uit voor een hoofdrol in een Vlaamse film met Holywoodallures. Maar Eline is niet alleen met dat plan. Zo'n honderd andere jonge vrouwen hebben ook wel zin in beroemd-worden. Maar toch... Eline haalt het. Een natuurtalent, zeggen de producent en de regisseur. De regisseur is Django Tack. Beroemd om zijn films, berucht om zijn looks. Eline valt voor hem, maar ze toont het niet. Professioneel wil ze zijn. Dan word je niet verliefd op de regisseur!
De opnames starten. De bal rolt.
Maar dan wordt haar moeder ziek en haar broertje moet naar een instelling, maar dat is het laatste wat haar moeder wil. Eline moet helpen. Nee, Eline moet alles opgeven, zichzelf wegcijferen. Tenminste, dat is wat haar familie van haar verwacht. Maar wil zij dat? Wil Eline haar toekomst op het spel zetten of kiest ze voor haar eigen succes?
Na lang wikken en wegen kiest Eline voor Arthur. Haar omgeving haalt opgelucht adem. Maar dan staat Django aan haar voordeur. Hij wil niet alleen dat ze terug naar de set komt. Hij vertelt ook dat hij al heel de tijd verliefd op haar is. Kan ze hieraan weerstaan? Eline moet keuzes maken, knopen doorhakken. Breken! Maar met wie of met wat?

Terug naar boekenoverzicht

Roadmovie

Uitgegeven bij Averbode
Voorjaar 2010

Emmy is 17, woont in een piepklein Zuidfrans dorp en droomt van de filmschool.

Elke zomer zijn er die drie of vier campers met straattheateracteurs en mimespelers die op het plein, vlak voor haar huis, enkele weken komen oefenen. Weg van de drukte, vlak voor ze naar het wereldberoemde theaterfestival van Avignon trekken.

Van haar moeder moet ze uit de buurt van dat 'uitschot' blijven. Toch trekt Emmy nu en dan, stiekem, naar die alternatieve, geheimzinnige jongelui.

Sinds een drietal zomers is er ook Jason, die stille dreadlockjongen, die van mimespelen en van zijn oude Ford Rimor-camper houdt. Veel weet Emmy niet van hem, maar wel dat hij haar mag en dat hij dolgraag wil dat ze een keer meegaat naar Avignon. Wat natuurlijk niet mag van haar moeder. Maar deze zomer trekt haar moeder met broer Jesse en haar vriend Harry naar het verre Mexico. Emmy gaat niet mee en belandt in de camper van Jason.

Op een ochtend wordt ze er zelfs in wakker, met Jason aan het stuur… richting Avignon én het avontuur!

 Jason verzekert haar dat ze binnen de twee weken terugkeren zodat ze op tijd weer thuis is, maar de rit krijgt een heel andere wending: ze raken de andere zomerzwervers kwijt, krijgen motorpech, Jason ruilt op een wel zeer onorthodoxe wijze van voertuig met een nietsvermoedende, hulpvaardige Nederlander en ze krijgen het, uiteraard, zwaar aan de stok met Franse agenten. Hoe meer boevenstreken Jason uithaalt, hoe meer zij zich gaat afvragen wie hij eigenlijk is. En kent Emmy zichzelf wel? Waarom is zij het die, op een kritiek moment, zo’n motoragent bijna de dood in jaagt? Jason en Emmy geraken uiteindelijk in Avignon, waar het marktplein met zijn toeristen en toeschouwers wacht op hun nieuwe zomeract. Maar ondertussen wordt het tweetal gezocht. Jason zijn kop komt zelfs op het nieuws. Raakt Emmy echt nog op tijd terug thuis of zal haar moeder de reis vroegtijdig moeten afbreken als zij te weten komt wat dochterlief allemaal uitspookt? 

 

 

Fragment:

Scène 9

… 

Drie jaar geleden, ik was veertien, belt Felix aan. Mama doet open. Hij vraagt zout en olijfolie. Mijn moeder leent het uit. Dik tegen haar zin. Twee dagen later is mama aan het koken. Ze wil de groenten wokken, want dat is lang geleden, maar ze heeft nog steeds geen olijfolie. Ze vloekt en jammert en ik vraag wat er is. Ze zegt: ik wil wokken, maar de zomerzwervers hebben mijn olijfolie. Dus ze besluit de groenten te stoven. Alsof we nog in oorlog leven en zij de olie aan de Duitse soldaten heeft gegeven! Dus ga ik de straat op en vraag aan Felix of we onze olijfolie terugkrijgen. Eerste contact. Mijn moeder razend!

Het jaar nadien. De campers arriveren. Mijn moeder hangt in de tuin de was op. Ik ga de straat op en zeg ‘hoi’ tegen Felix, want ik ken hem nog van dat voorval met de olijfolie (het zout hebben we dan nog niet teruggezien). Zijn vriendin komt wat praten. Het stel uit de andere camper komt er ook bij staan. De vier mensen uit de derde camper komen ook even gedag zeggen. De kerel uit de vierde camper loopt vloekend op de anderen af. Er is wat met de koppeling en er is iets fout met de airco en zijn stuur draait nog amper en… Iedereen lacht dat hij niet met een camper maar met een tank op doorreis is. Hij boos. Hij zegt tegen Felix dat die nú moet komen helpen. Het groepje zwaait nog naar me, maar haast zich naar de tank van de jongen die later Jason blijkt te heten en mij in zijn tirade geen blik waardig heeft gegund. De rest van de dag blijf ik er weg, maar als ik de volgende dag de luiken van ons huis open, staat Jason ineens naast me. In volkomen fout Frans zegt hij dat het hem spijt. Maar hij maakte zich zo’n zorgen over zijn…

‘Char de combat,’ zeg ik.

‘Wat?’

‘Char de combat, tank.’

Hij steekt zijn tong uit. Ik steek mijn tong uit.

‘Ik ben Jason,’ zegt hij.

‘Emmy.’

Dan helpt hij me met het luik dat om de een of andere reden minder makkelijk open wil. De dagen nadien zeggen we niks meer tegen elkaar. Wij wisselen alleen wat blikken.

Een jaar later is hij er weer. Ook Felix en zijn vriendin, Sandra. Ze zijn ondertussen getrouwd. Ze oefenen zo intens aan een nieuwe act dat ik ze nog amper spreek. Op een avond hangt Jason lampen in de wilg. Ralf zegt dat zoiets niet mag. Jason maakt ruzie met Ralf. De lampen blijven. Maar dan gaat er een stuk. Jason heeft het lef bij ons aan te bellen en leent een lamp van ons. In ruil geeft hij het zout van twee jaar voordien terug. Ik lig in een deuk als mama het vertelt. Ik besluit om ongelooflijk verliefd op hem te worden.

De dag nadien is het al zover. Mama en Ralf gaan fruit halen bij een boer, twintig kilometer verderop. Ik reken het uit: twintig kilometer rijden in dit gat duurt algauw een halfuur. Fruit kiezen, inladen, betalen: een uur en een kwart. Terugrijden duurt nog eens drie kwartier want je zult zien dat Ralf ook nog eens moet tanken. We hebben minstens tweeënhalf uur om…

Cut!

Ik doe er nu misschien superstoer over, maar toen was het wel anders. Ik sta op het trapje van zijn gammele camper, te trillen als een blad aan een boom. Ik vertel hem hoe cool ik het wel niet vond van dat zout in ruil voor een lamp. Hij zegt: dat deed ik voor jou.

Ik: heu?

Hij: omdat ik verliefd op je ben.

Ik: Hoe bedoel je?

Hij: ik deed het om jou te imponeren.

Ik: (lachen) gelukt, man!

Hij: (heel triest) nu zitten wij zonder zout.

Ik: (weer lachen)

Hij: trekt me tegen zich aan en kust me.

Ik: duw hem nog van me af, maar… waarom eigenlijk? We hebben nog minstens twee uur.

Die vakantie vertoef ik nog vier keer in zijn camper. Sindsdien mailen we naar elkaar. We zijn een stel, maar het voelt niet zo. Er zitten te veel seizoenen tussen. 

Het jaar nadien.

Nu dus.

Felix heeft de wijn ontkurkt. Ze zitten met zijn allen rond een tafeltje en brainstormen over de act waarmee ze deze zomer Avignon gaan inpakken.

Ik ruim intussen de boel wat op in de camper van Jason. Mijn mobiel piept. Mama. ‘Alles goed daar? Wij zitten bijna in het vliegtuig. Er is vertraging. Ralf is woedend. We zijn Jesse al een keer kwijt geweest maar hij is weer terecht.’

Ik stuur haar een bericht terug: ‘Alles oké hier. Fijne vlucht. Misschien krijgt Ralf een beroerte. Jammer dat Jesse terug is. Zoen, Emmy.’

Dan ga ik bij de anderen zitten. Ze zijn voor een ogenblik allemaal stil. Omdat ik uit die camper kom natuurlijk. En ik wed dat je aan de blos op mijn gezicht kan zien dat we gevreeën hebben. Dan gaat weer iedereen aan het praten. Over die act en dat het nu de beste ooit is. 
 

Scène 10 

De dagen nadien oefent de groep op het plein. Ik ga wat boodschappen voor hen doen. Ze betalen me keurig terug. Bovendien mag ik iedere keer mee-eten. ’s Avonds liggen Jason en ik in elkaars armen in de alkoof boven de cockpit. Als ik terug thuis ben, bid ik. Dat mijn moeder en Ralf en Jesse nooit of nooit meer terugkomen. (Lieve God, ik houd van mijn moeder. Versta me niet verkeerd. Ik vind niet dat ze dood moet. Jesse eigenlijk ook niet eens, maar ze kunnen toch in Mexico een winkeltje in sombrero’s beginnen? Ralf mag sterven, hoor.) 

 

Terug naar boekenoverzicht

Mombakkes

Uitgegeven bij Davidsfonds- Infodok
Thema: familiegeheimen, carnaval
Doelgroep: 15+
ISBN:987 90 5908 344 8
Pagina's: 168
Maart 2010

Tot honderd tellen, met ingehouden adem het deken van me afgooien en voorzichtig uit het bed stappen. Als ik er zeker van ben dat mijn zusje niet wakker wordt, zal ik voorzichtig gaan staan, alsof de vloer van flinterdun glas is. Op mijn tenen zal ik naar de kamerdeur trippelen, op de overloopover het trapgat hangen, naar beneden toe staan luistervinkenen hopen dat de gekken er al zijn. Ik zal naar beneden lopen en voor de deur tussen de hal en de woonkamer staan twijfelen of ik me toch niet beter zou omdraaien en weer naar boven zou lopenom proberen in slaap te geraken. Maar deze keer zal ik wel doorzetten en met een hoge borst de deur opengooien en, nog voor mijn moeder en vader hun mond openen, zeggen dat ze me niet terug naar boven moeten sturen. Dat ze er niet eens aan moeten denken, want dat ik ondertussen vijftien ben en dat ik wil meedoen.

Al weet ik niet goed aan wat.

Dat is mijn plan.

Elk jaar op Vastenavond komen er gekken langs in het huis van Frank. Maar wie zijn die Vastenavondgekken en wat doen ze? Waarom doet Mercedes er zo geheimzinnig over en waarom vertellen zijn ouders er nooit wat van?

De weg van zijn bed naar beneden is lang. Langer dan hij zich had voorgesteld. Het geeft Frank de tijd om na te denken. Over zijn hoogst bijzondere vader en zijn excentrieke opa en het keldervolk van weleer. Of over Diederik, zijn broer die maar half is en wegliep om nooit meer terug te komen. En er is ook Simon en Garfunkel, Elvis, Julio Iglesias, een rat, een ingebeelde hond en een domme leraar die niet eens kan tekenen en toch Het Potlood wordt genoemd.

En de grote schande, die is er altijd. Die hangt als een deken over het huis en houdt de wereld angstvallig buiten. 

Frank vindt een plek op de eerste rij, vanwaar hij zijn ouders kan zien en de mysterieuze gekken. Hij wacht er op de grote onthulling: zijn ouders die de gekken ontmaskeren. Of gaat het dit jaar andersom?  

Fragment:

De laatste keer kwam er een meneer. Die was echt heel lief. Hij aaide mijn zusje over het hoofd en zei tegen mijn vader en moeder dat we mooi woonden. ‘En groot’, zei hij.

Dat is ook wel zo. We hebben een mooi, groot huis. Ik zei dat we niet eens alle kamers gebruikten, maar mijn vader siste dat ik niet moest praten als grote mensen aan het woord zijn. De man zei dat het niet gaf. Hij keek me aan, maar dan anders dan die dame had gedaan. Hij zei dat ik al een hele kerel was. Hij legde zijn handen op mijn schouders. Echte kerels meet je van schouder naar schouder. Hij vroeg wat ik wilde worden. Ik zei architect, zoals mijn vader, mijn grootvader en mijn overgrootvader. Hij zei dat me dat beslist zou lukken als ik zulke goede resultaten bleef halen, want hij had mijn mappen ingekeken. Ik denk dat ik mijn vader een hoofd zag groeien. Hij ging zelfs een paar tekeningen van me halen. Toen was ik enkele minuten met die man alleen. Eerst keek hij nog wat rond, naar de tekeningen van mijn grootvader aan de muur. Hij betastte de bladeren van mijn moeders planten en knikte goedkeurend. Zulke bladeren zag je nog zelden. Zo knikte hij.

‘Echt een keurig huis’, zei hij.

Toen ging hij vlak bij me staan. Ik dacht dat hij mij ook ging betasten, dat hij ging voelen of ik goed haar had of zo. Maar hij vroeg alleen maar of ik niet liever naar school wilde gaan, zoals wel meer kinderen doen. Ik haalde mijn schouders op.

‘Mijn pa doet het beter dan leraren dat kunnen’, zei ik.

Toen knikte hij weer. Daar kon hij niks tegen inbrengen.

‘Heb je vrienden?’ vroeg hij.

Dat vond ik een rare vraag. Ik haalde weer mijn schouders op.
‘U?’ vroeg ik. Hij moest er eventjes om lachen en deed verder alsof hij rondkeek.

‘Ik zou graag een hond willen’, zei ik tegen zijn rug.

Ik geloof dat ik me even inbeeldde dat hij mijn vader was. Hun ruggen leken op elkaar. Ze waren ook bijna even groot. Ik bedoel, het had gekund.

‘Een hond?’ vroeg hij.

‘Dat heeft vier poten en het blaft’, zei ik.

De man draaide zich om en knikte heel ernstig, alsof ik iets belangrijks had gezegd. Iets wat hij nog niet wist.

‘Vraag er dan een aan je moeder’, zei de man.

Ik schudde nee. ‘Mijn vader’, zei ik.

‘Die wil er geen?’

‘Hij vertrouwt ze niet’, zei ik.

Dat was ook zo. Mijn vader had het niet meer voor honden sinds hij als kind gebeten was door een Duitse herder die met zijn staart kwispelde maar tegelijk beet.

Kwispelen, zo zegt mijn vader, betekent dat ze je goedgezind zijn. Zo staat het in de boeken. Mijn vader wilde dus de Duitse herder aaien, omdat hij volgens de boeken goedgezind was, maar dat beest beet hem doodleuk in zijn rechterhand. Het was niet echt erg. Ik bedoel: hij mist geen vingers of de muis van zijn duim is niet weggerukt of zo. Alleen als je erg goed naar zijn hand kijkt, met je ogen zo dichtbij dat het lijkt of je hem een handkus gaat geven, kan je heel vaag de afdruk van de hondentanden nog zien.

Soms vertelt hij ook het verhaal van die keer dat hij met zijn vader over de dijk aan het hardlopen was. Eigenlijk is dit verhaal nog erger! Mijn vader was toen tien jaar. Na een halfuur lopen kon hij echt niet meer. Nochtans was zijn conditie erg goed want elke zaterdag en zondag liepen ze samen hetzelfde traject. Zijn vader stond erop dat hij verder liep. Op wilskracht. Want op wilskracht kan je zowat alles. Mijn vader begreep niet wat hij bedoelde. Mijn opa legde hem uit dat, als je iets echt wil, je het ook kan. Maar je moet het gewoon ongelooflijk erg willen. Maar hij wou wel, had mijn vader toen gezegd. Hij bedoelde: hardlopen. Alleen, hij kon niet meer. Toch zei mijn opa: ‘doe het dan.’ Mijn vader bleef zeuren dat hij kapot was. Hij had ook last van zijn kuit of zo, dat weet ik niet meer precies. Toen nam mijn opa mijn vader bij zijn broeksband en de kraag van zijn sweater beet en gooide hem in één beweging over de schutting van het huis aan de rand van de dijk. De kinderen uit de buurt durfden er met moeite voorbijlopen omdat ze wisten dat er drie gevaarlijk uitziende dobermanns in de tuin zaten te wachten op een kind dat ze met zijn drieën konden delen. Daar lag mijn vader, als jongen van tien, in het gras, op enkele meters afstand van die bloeddorstige waakhonden die, bij de aanblik van een jongen in hun tuin, meteen opveerden en op hem kwamen afgelopen met druipend kwijl aan hun muil. Mijn vader stond in een mum van tijd weer rechtop, daar moest hij zichzelf niet eens de opdracht toe geven. Zonder te weten hoe, zonder te klauteren, sprong hij, nee, vloog hij over de schutting waar normaal geen mens, zelfs geen volwassene, op geen enkele manier over kan. Mijn opa stond hem aan de andere kant van de schutting op te wachten. ‘Zie je wel’, zei hij. ‘Wilskracht.’

Mijn vader houdt niet van honden. Sindsdien.

‘Ooit neem ik er een’, zei ik tegen de man. ‘Als ik alleen woon.’

‘Moet je beslist doen’, zei hij.

Toen kwam mijn vader binnen met mijn tekeningen. 

‘Maak je ook andere tekeningen?’ vroeg de man, toen hij ze allemaal had bekeken.

Ik knikte.

‘Welke?’

‘Van bomen en planten en bloemen.’

‘En van dieren?’

‘Ook van dieren.’

‘Welke dieren doe je het liefst?’

‘Vogels’, zei ik.

‘Waarom vogels?’ vroeg de man.

‘Die kunnen vliegen’, antwoordde ik. ‘Vliegen is super.’

‘Misschien moet je piloot worden’, zei de man. Hij keek naar mijn vader. Hij wilde ook zijn mening weten. Maar mijn vader zei niets. Hij zat naar de laatste tekening van de stapel te kijken, alsof hij er niet helemaal bij was.

Ik wilde over iets anders beginnen. Over iets dat mijn vader interessant zou vinden, maar ik wist niet meteen wat.

‘Teken je soms honden?’ vroeg de man.

Ik vond hem ineens minder leuk. Ik had hem net verteld dat mijn vader er niet van hield en nu begon hij over honden.

     Ik schudde nee.

Nochtans teken ik ze wel, maar ik gooi ze meestal meteen weg. Dat komt omdat ik een tijdje een hond heb gehad. Nu ja, een ingebeelde. Rocky heette hij. Echt een ondankbaar beest. Ik leerde hem kunstjes zoals liggen en rollen en dingen terugbrengen. Hij deed alles wat ik vroeg. Maar op een dag stond de voordeur op een kier omdat de melkboer melk en boter kwam brengen. Dan staat onze voordeur zo’n twintig tellen open. Tenminste, als de melkboer niet met mijn moeder begint te praten. Meestal duwt ze de deur al dicht nog voor hij zijn eerste vraag heeft gesteld. Wel, op een dag is Rocky naar buiten geglipt. Zomaar. Ik heb hem nooit meer teruggezien. Heel soms denk ik dat ik hem hoor krabben aan de deur. Maar dat is flauwekul, natuurlijk. En soms denk ik: het is Diederik. En hup, dan denk ik weer aan hem.

 

 

 

 

 

 

Terug naar boekenoverzicht

 

© www.dovanranst.com | Ontwerp: Sarah Dierick & Do Van Ranst| Webmaster & Lay-outfotografie: Sarah Dierick