2010
Uitgegeven bij Davidsfonds- Infodok Tot honderd tellen, met ingehouden adem het deken van me afgooien en voorzichtig uit het bed stappen. Als ik er zeker van ben dat mijn zusje niet wakker wordt, zal ik voorzichtig gaan staan, alsof de vloer van flinterdun glas is. Op mijn tenen zal ik naar de kamerdeur trippelen, op de overloopover het trapgat hangen, naar beneden toe staan luistervinkenen hopen dat de gekken er al zijn. Ik zal naar beneden lopen en voor de deur tussen de hal en de woonkamer staan twijfelen of ik me toch niet beter zou omdraaien en weer naar boven zou lopenom proberen in slaap te geraken. Maar deze keer zal ik wel doorzetten en met een hoge borst de deur opengooien en, nog voor mijn moeder en vader hun mond openen, zeggen dat ze me niet terug naar boven moeten sturen. Dat ze er niet eens aan moeten denken, want dat ik ondertussen vijftien ben en dat ik wil meedoen. Al weet ik niet goed aan wat. Dat is mijn plan. Elk jaar op Vastenavond komen er gekken langs in het huis van Frank. Maar wie zijn die Vastenavondgekken en wat doen ze? Waarom doet Mercedes er zo geheimzinnig over en waarom vertellen zijn ouders er nooit wat van? De weg van zijn bed naar beneden is lang. Langer dan hij zich had voorgesteld. Het geeft Frank de tijd om na te denken. Over zijn hoogst bijzondere vader en zijn excentrieke opa en het keldervolk van weleer. Of over Diederik, zijn broer die maar half is en wegliep om nooit meer terug te komen. En er is ook Simon en Garfunkel, Elvis, Julio Iglesias, een rat, een ingebeelde hond en een domme leraar die niet eens kan tekenen en toch Het Potlood wordt genoemd. En de grote schande, die is er altijd. Die hangt als een deken over het huis en houdt de wereld angstvallig buiten. Frank vindt een plek op de eerste rij, vanwaar hij zijn ouders kan zien en de mysterieuze gekken. Hij wacht er op de grote onthulling: zijn ouders die de gekken ontmaskeren. Of gaat het dit jaar andersom? Fragment: De laatste keer kwam er een meneer. Die was echt heel lief. Hij aaide mijn zusje over het hoofd en zei tegen mijn vader en moeder dat we mooi woonden. ‘En groot’, zei hij. Dat is ook wel zo. We hebben een mooi, groot huis. Ik zei dat we niet eens alle kamers gebruikten, maar mijn vader siste dat ik niet moest praten als grote mensen aan het woord zijn. De man zei dat het niet gaf. Hij keek me aan, maar dan anders dan die dame had gedaan. Hij zei dat ik al een hele kerel was. Hij legde zijn handen op mijn schouders. Echte kerels meet je van schouder naar schouder. Hij vroeg wat ik wilde worden. Ik zei architect, zoals mijn vader, mijn grootvader en mijn overgrootvader. Hij zei dat me dat beslist zou lukken als ik zulke goede resultaten bleef halen, want hij had mijn mappen ingekeken. Ik denk dat ik mijn vader een hoofd zag groeien. Hij ging zelfs een paar tekeningen van me halen. Toen was ik enkele minuten met die man alleen. Eerst keek hij nog wat rond, naar de tekeningen van mijn grootvader aan de muur. Hij betastte de bladeren van mijn moeders planten en knikte goedkeurend. Zulke bladeren zag je nog zelden. Zo knikte hij. ‘Echt een keurig huis’, zei hij. Toen ging hij vlak bij me staan. Ik dacht dat hij mij ook ging betasten, dat hij ging voelen of ik goed haar had of zo. Maar hij vroeg alleen maar of ik niet liever naar school wilde gaan, zoals wel meer kinderen doen. Ik haalde mijn schouders op. ‘Mijn pa doet het beter dan leraren dat kunnen’, zei ik. Toen knikte hij weer. Daar kon hij niks tegen inbrengen. ‘Heb je vrienden?’ vroeg hij. Dat vond ik een rare vraag. Ik haalde weer mijn schouders op. ‘Ik zou graag een hond willen’, zei ik tegen zijn rug. Ik geloof dat ik me even inbeeldde dat hij mijn vader was. Hun ruggen leken op elkaar. Ze waren ook bijna even groot. Ik bedoel, het had gekund. ‘Een hond?’ vroeg hij. ‘Dat heeft vier poten en het blaft’, zei ik. De man draaide zich om en knikte heel ernstig, alsof ik iets belangrijks had gezegd. Iets wat hij nog niet wist. ‘Vraag er dan een aan je moeder’, zei de man. Ik schudde nee. ‘Mijn vader’, zei ik. ‘Die wil er geen?’ ‘Hij vertrouwt ze niet’, zei ik. Dat was ook zo. Mijn vader had het niet meer voor honden sinds hij als kind gebeten was door een Duitse herder die met zijn staart kwispelde maar tegelijk beet. Kwispelen, zo zegt mijn vader, betekent dat ze je goedgezind zijn. Zo staat het in de boeken. Mijn vader wilde dus de Duitse herder aaien, omdat hij volgens de boeken goedgezind was, maar dat beest beet hem doodleuk in zijn rechterhand. Het was niet echt erg. Ik bedoel: hij mist geen vingers of de muis van zijn duim is niet weggerukt of zo. Alleen als je erg goed naar zijn hand kijkt, met je ogen zo dichtbij dat het lijkt of je hem een handkus gaat geven, kan je heel vaag de afdruk van de hondentanden nog zien. Soms vertelt hij ook het verhaal van die keer dat hij met zijn vader over de dijk aan het hardlopen was. Eigenlijk is dit verhaal nog erger! Mijn vader was toen tien jaar. Na een halfuur lopen kon hij echt niet meer. Nochtans was zijn conditie erg goed want elke zaterdag en zondag liepen ze samen hetzelfde traject. Zijn vader stond erop dat hij verder liep. Op wilskracht. Want op wilskracht kan je zowat alles. Mijn vader begreep niet wat hij bedoelde. Mijn opa legde hem uit dat, als je iets echt wil, je het ook kan. Maar je moet het gewoon ongelooflijk erg willen. Maar hij wou wel, had mijn vader toen gezegd. Hij bedoelde: hardlopen. Alleen, hij kon niet meer. Toch zei mijn opa: ‘doe het dan.’ Mijn vader bleef zeuren dat hij kapot was. Hij had ook last van zijn kuit of zo, dat weet ik niet meer precies. Toen nam mijn opa mijn vader bij zijn broeksband en de kraag van zijn sweater beet en gooide hem in één beweging over de schutting van het huis aan de rand van de dijk. De kinderen uit de buurt durfden er met moeite voorbijlopen omdat ze wisten dat er drie gevaarlijk uitziende dobermanns in de tuin zaten te wachten op een kind dat ze met zijn drieën konden delen. Daar lag mijn vader, als jongen van tien, in het gras, op enkele meters afstand van die bloeddorstige waakhonden die, bij de aanblik van een jongen in hun tuin, meteen opveerden en op hem kwamen afgelopen met druipend kwijl aan hun muil. Mijn vader stond in een mum van tijd weer rechtop, daar moest hij zichzelf niet eens de opdracht toe geven. Zonder te weten hoe, zonder te klauteren, sprong hij, nee, vloog hij over de schutting waar normaal geen mens, zelfs geen volwassene, op geen enkele manier over kan. Mijn opa stond hem aan de andere kant van de schutting op te wachten. ‘Zie je wel’, zei hij. ‘Wilskracht.’ Mijn vader houdt niet van honden. Sindsdien. ‘Ooit neem ik er een’, zei ik tegen de man. ‘Als ik alleen woon.’ ‘Moet je beslist doen’, zei hij. Toen kwam mijn vader binnen met mijn tekeningen. ‘Maak je ook andere tekeningen?’ vroeg de man, toen hij ze allemaal had bekeken. Ik knikte. ‘Welke?’ ‘Van bomen en planten en bloemen.’ ‘En van dieren?’ ‘Ook van dieren.’ ‘Welke dieren doe je het liefst?’ ‘Vogels’, zei ik. ‘Waarom vogels?’ vroeg de man. ‘Die kunnen vliegen’, antwoordde ik. ‘Vliegen is super.’ ‘Misschien moet je piloot worden’, zei de man. Hij keek naar mijn vader. Hij wilde ook zijn mening weten. Maar mijn vader zei niets. Hij zat naar de laatste tekening van de stapel te kijken, alsof hij er niet helemaal bij was. Ik wilde over iets anders beginnen. Over iets dat mijn vader interessant zou vinden, maar ik wist niet meteen wat. ‘Teken je soms honden?’ vroeg de man. Ik vond hem ineens minder leuk. Ik had hem net verteld dat mijn vader er niet van hield en nu begon hij over honden. Ik schudde nee. Nochtans teken ik ze wel, maar ik gooi ze meestal meteen weg. Dat komt omdat ik een tijdje een hond heb gehad. Nu ja, een ingebeelde. Rocky heette hij. Echt een ondankbaar beest. Ik leerde hem kunstjes zoals liggen en rollen en dingen terugbrengen. Hij deed alles wat ik vroeg. Maar op een dag stond de voordeur op een kier omdat de melkboer melk en boter kwam brengen. Dan staat onze voordeur zo’n twintig tellen open. Tenminste, als de melkboer niet met mijn moeder begint te praten. Meestal duwt ze de deur al dicht nog voor hij zijn eerste vraag heeft gesteld. Wel, op een dag is Rocky naar buiten geglipt. Zomaar. Ik heb hem nooit meer teruggezien. Heel soms denk ik dat ik hem hoor krabben aan de deur. Maar dat is flauwekul, natuurlijk. En soms denk ik: het is Diederik. En hup, dan denk ik weer aan hem.
|
|
© www.dovanranst.com | Ontwerp: Sarah Dierick & Do Van Ranst| Webmaster & Lay-outfotografie: Sarah Dierick