Uitgegeven bij Davidsfonds-Infodok
Thema: Eénoudergezin, vriendschap, mentale handicap, missen.
Omslagillustratie: Wannes Van Giel
Vormgeving binnenwerk: Daniël Peetermans
Doelgroep: 13+
ISBN 978-90-5908-276-2
160 pagina’s
Moeders zijn gevaarlijk met messen wint de Prijs Knokke-Heist Beste Jeugdboek 2008!
De Duitse uigeverij Carlsen vertaalt momenteel het boek. (vertaling: Andrea Kluitmann)
Jef woont met zijn zwakbegaafde zus Iene en zijn mooie moeder in een flat. Er is ook nog Süleyman, zijn vervelende vriend die er altijd is, alsof hij bijna een broer is. Jef heeft zijn vader nooit gekend. Het enige wat hij van hem weet, is dat zijn ogen te dicht bij elkaar stonden. Dan ben je door de duivel bezeten. En dat hij door zijn moeder vermoord is met een keukenmes…
Tenminste, dat wil hij graag geloven. En als zijn moeder dat dan ook nog af en toe vertelt, dan is het ook zo.
En dan is er ook nog Harry. De vriend van zijn moeder. Hij draait aan de knoppen in huis zodat de dingen veranderen en zijn moeder af en toe op uit staat. Daar kan Jef niet tegen.
Er zijn ook nog mensen zoals Klompvoet en Suza Moen en Sjoerd de kasseienman, maar die zijn er gewoon. Zoals de stank in de berging aan de straatkant er is, die eeuwige stank alsof er een lijk in één van de vuilniscontainers ligt.
Er is ook het glazenflessenveld, waar gelukkig alles af en toe eventjes stilvalt, zelfs Iene. Als het waait, tenminste, en als er niet ineens een geheim in de grond zit. Een geheim dat voor kort alleen van Jef en zijn moeder was.
fragment:
Soms praten Süleyman en ik over zulke toestanden. Het oneerlijke in de wereld. Waarom woont hij op het elfde verdiep met piepkleine kamers en hebben ze wel een gezin dat driedubbel zo groot is dan die van het gelijkvloers en het eerste waar de flats gigantisch zijn?
Süleyman en ik zitten op de trap op de vierde etage als Klompvoet voorbijkomt. Eigenlijk heet ze Mariewivine maar iedereen noemt haar Klompvoet omdat ze aan haar linkervoet zo’n schoen heeft met een dikke zool en wie heet nu in hemelsnaam Mariewivine?
Met dikke zool bedoel ik érg dikke zool. Zo’n vijftien centimeter dik, maar als je Klompvoet ziet lopen denk je aan vijftig centimeter. Als ze haar linkervoet op de grond zet, zakt die kant van haar lichaam een heel eind door waardoor ze als een kaartenhuis in elkaar lijkt te gaan zakken. Daarbij komt dat het eruitziet alsof ze heel de tijd door een grote hond wordt voortgetrokken. Ik bedoel: als Klompvoet voorbij loopt heb je echt wat om naar te kijken.
Süleyman en ik zeggen nooit wat als we haar zien. Ook niet achteraf. Klompvoet is gewoon iemand waar we alleen maar naar kijken en waar we hoogstens iets over denken. Vandaag kijkt Süleyman me heel kort aan als Klompvoet uit ons gezichtsveld verdwenen is. Omdat dat misschien de allereerste keer is, weet ik me met zijn blik geen raad en juist daarom voelt het alsof ik iets moet zeggen.
‘Zielig hè’, zeg ik.
Süleyman haalt zijn schouders op. ‘Vind je?’
Ik doe dat met zijn schouders na.
‘Ik zie mezelf niet zo gauw over de gang lopen, met zo’n voet’, zegt Süleyman. ‘Dapper’, zegt hij.
‘Je kan toch moeilijk heel de tijd binnenblijven’, zeg ik. En ik denk: dus zo dapper is het niet. Het is gewoon een kwestie van moeten.
‘Sommigen zouden het doen’, zegt Süleyman. ‘Omdat ze er zich voor schamen.’
‘Zou jij je schamen?’ vraag ik.
‘Weet ik niet.’
‘Wel’, zeg ik. ‘Je zou je doodschamen met zo’n poot.’
Süleyman moet erom lachen, al zei ik het totaal niet voor de grap. Dat is nog zo iets rottigs met hem. Süleyman weet nooit wanneer iets ernstig is of niet.
Hij ziet het aan me, dat ik dat rottig vind, en sluit zijn mond om de rest van zijn lach binnen te houden. Hij knijpt zijn lippen overdreven op elkaar. Wat vind ik hem ineens een kind.
‘Kijk niet zo stom’, zeg ik.
‘Ik kijk niet stom. Ik hield mijn adem in.’
‘Vooral mee doorgaan’, zeg ik.
‘Wat is er met jou?’ vraagt hij geërgerd.
Daar kan ik dus niet tegen. Wie moet er hier geërgerd zijn? Hij is degene die zich echt wel zou schamen met zo’n voet en die het niet gewoon toegeeft. Hij is degene die een stom gezicht trekt en ophoudt met ademen. En hij is het die vraagt wat er met mij is.
‘Ik zou me moeten schamen voor jou’, zeg ik.
Süleyman kijkt me irritant lang aan zonder enige uitdrukking op zijn gezicht.
‘Echt wel’, zeg ik.
‘Waarom?’
‘Gewoon’, zeg ik, want ik wil hem nu ook niet bepaald kwetsen. En meestal heeft Süleyman genoeg aan antwoorden als gewoon en daarom en weetikveel.
‘Ze heeft wel lekkere borsten’, zegt hij ineens.
We zwijgen alsof het dat juist is waarom we altijd al zwegen als we Klompvoet zien.
Want het is echt zo. Klompvoet heeft mooie borsten. Niet dat we ze al bloot hebben gezien of zo, maar je ziet het onder haar kleren. Je zou het al zien als alleen haar hoofd over de gang kwam rollen.
‘Die maken dat met haar voet een beetje goed’, zegt Süleyman.
Ik herhaal die zin in mezelf en knik. Niet dat ik hem niet begreep, maar door het te herhalen zie ik het voor me. Ik bedoel, duidelijker.
‘Soms fantaseer ik erover’, zegt Süley.
‘Over wat?’
‘Haar tieten.’
Ik hoor mezelf dat woord herhalen en, voor mijn doen, behoorlijk gestoord lachen. Ik kuch en zeg: ‘Wat fantaseer je dan?’
‘Gewoon’, zegt Süleyman.
Natuurlijk ben ik niet Süleyman en heb ik dus niet genoeg aan gewoon. Gewoon, denk ik. Wat is er zo gewoon aan de borsten van Klompvoet in je fantasie? ‘Je ziet ze gewoon?’ vraag ik.
‘Yep.’
‘Wat heb je daar nou aan?’ vraag ik.
Süleyman grijnst. ‘Een stijve’, zegt hij.
‘Laat me niet lachen’, zeg ik laag. ‘Van twee borsten die niks doen en waarvan je niet eens weet hoe ze eruitzien?’
‘Nu ja, bij mij gebeurt dat nogal snel, geloof ik’, zegt Süleyman.
Ik zie voor het eerst in mijn leven dat hij rood wordt.
‘Dat is omdat ik een Turk ben’, zegt hij.
‘Echt?’
‘Nee, maar ik kom op niks anders’, zegt hij.
We zwijgen een poosje. Wat niet ondenkbaar is na zoveel Süleymanonzin. Ik kan niet anders dan aan Klompvoet denken. Ik doe mijn uiterste best om borsten te zien, maar het enige wat ik me klaar en duidelijk voor de geest kan halen is een dikke schoen. ‘Nou, mij doet ze niks’, besluit ik.
‘Smaken verschillen’, zegt Süleyman. ‘Zo begrijp ik niet wat je ma in die Harry ziet.’
Ik schrik. Ik wist niet dat Süleyman iets dacht van Harry. Niet eens dat Süley dacht, weet je wel.
‘Hoe bedoel je?’
‘Nu ja’, zegt hij. En dan zie ik hem staan nadenken. ‘Je moeder is…’
‘Wat?’
‘Mooi’, zegt Süleyman.
Ik grijp naar mijn hart. ‘Je valt op mijn moeder of wat?’
‘Nee!’
‘Wel!’
‘Maar nee’, jammert Süleyman. Als zijn ogen handen waren, had hij mij er al een heel eind mee weg geduwd.
‘Luister, jochie,’ zeg ik, ‘niet dat jij mijn vriend bent of zo, maar toch zou ik jou er op willen wijzen dat vrienden niet op elkanders moeder vallen.’
‘Deal’, zegt Süley, en hij trekt daarbij een gezicht als zou de mens van het wrattenzwijn afstammen en dat je dat vooral aan mijn moeder nog duidelijk kan zien. Maar ik heb liever dat dan dat het erop zou lijken dat hij een serieuze boon heeft voor haar.
‘Vrienden horen te geilen op elkanders zus’, zeg ik. ‘Begrepen?’
‘Begrepen’, zegt Süleyman. Hij kijkt van me weg en mompelt: ‘ik val heus niet op je ma, hoor.’
‘Maar goed ook. Ik breek je nek.’
Süleyman gaat er niet op in. Daar krijgt hij me soms behoorlijk kwaad mee. Normaal gezien praat Süleyman zijn smoel aan flarden, maar als jij eens een keertje wat zegt, houdt hij zijn mond. Alsof hij het oké vindt als ik zijn nek zou breken. Of hij gelooft het natuurlijk niet.
‘Ik zou je slaan, hoor’, zeg ik. Ik geef alvast een tikje tegen zijn schouder.
‘Kijk, Jef’, zegt hij. ‘Ik ben niet op je moeder, oké?’ Bij niet wrijft hij het tikje van zijn jas en knikt, waarmee hij een punt achter zijn zin zet.
We zwijgen een poosje. Vanwege dat punt.
‘Ook niet op mijn zus?’ vraag ik.
‘Man!’ zegt Süleyman, echt geïrriteerd klinkt hij. Maar daar zweept hij mij alleen maar mee op.
‘Wat?’
‘Doe niet zo…’, hij zoekt achter een woord.
Ik tik zijn schouder.
‘Ziek!’ zegt hij.
‘Wat is daar ziek aan?’ vraag ik. En ik meen het echt. ‘Je fantaseert toch ook over Klompvoet?’
‘En dan?’ piept Süley.
‘Die is toch ook niet…’
‘Wat?’
‘Normaal’, zeg ik.
Süleyman kijkt me aan alsof ik iets heel stoms heb gezegd en ik kijk weg omdat hij gelijk heeft, maar hij hoeft het niet aan mijn gezicht te zien dat ik dat zelf ook weet.
‘Dat is anders’, zegt hij.
‘Hoe, anders?’
‘Laat het’, zegt Süleyman.
‘Nee, vertel wat er anders aan is.’
Süley blaast lucht door zijn neus. ‘Djeezes’, zegt hij. ‘Ik fantaseer niet over Klompvoet, maar over haar borsten.’
‘Alleen haar borsten?’
Süleyman knikt.
‘De rest denk je weg?’
Süleyman knikt.
‘Haar voet?’
‘Alles.’
‘Dus, je ziet alleen haar borsten voor je?’
‘klopt’, zegt Süley.
We zwijgen een tijdje.
‘Hoe weet je dan dat het de hare zijn?’
‘Gewoon, dat weet ik.’
‘Niet!’
Süleyman haalt zijn schouders op. ‘Oké, niet dan.’
‘Dan kunnen het net zo goed die van Suza Moen zijn?’ vraag ik.
Nu kijkt Süleyman me aan en glimlacht. Steeds breder.
‘Wat?’
Hij lacht, Süleyman. ‘Of die van je moeder, natuurlijk!’ roept hij. En dan loopt hij heel hard weg.
|