2007
Uitgegeven bij Davidsfonds-Infodok
Thema: Echtscheiding
Omslagillustratie: Harmen van Straaten
Binnenillustraties: Harmen van Straaten
Doelgroep: 9+
ISBN 978-90-5908-211-3
45 pagina’s
In 2008 verscheen bij de Duitse uitgeverij Coppenrath de vertaling Morgen ist  er weg. (vertalingAndrea Kluitmann. De mooie,artistiekecovertekening en illustraties binnenin zijn van Marine Ludin.). In 2011 verscheen de Koreaanse vertaling.
Over Lena wiens ouders uit elkaar gaan.
Ze weet niet echt hoe ze zich daar precies bij moet voelen. Verdrietig? Want dat verwachten mensen toch. Maar Lena voelt het niet. Eerder denkt ze na hoe haar papa die laatste dag in huis gaat vullen. Zal hij heel de tijd dingen doen waarvan hij denkt dat zij het leuk vindt?
En kan je verdrietig zijn als je je pa eigenlijk niet echt kende omdat hij er haast nooit was?
Fragment:
Morgen is hij weg.
Lena herhaalt het zinnetje wel tien keer na elkaar in haar hoofd. Twintig keer. Dertig keer. Honderd!
Ze houdt maar beter op, want hoe meer ze erover nadenkt, hoe minder ze lijkt te begrijpen wat die vier woorden nu eigenlijk betekenen.
Morgen
is
hij
weg.
Zelfs elk woord afzonderlijk is vreemd.
Of de woorden door elkaar:
Weg
morgen
hij
is.
Raar, denkt Lena. Een halfuur geleden was de ochtend er een zoals alle andere zaterdagochtenden. Een ochtend met broodjes, koffie, melk, jam en roereieren. Cornflakes voor Stef, want er zitten voetballers in de verpakking.
Mama in badjas en papa al in zijn kleren, want hij staat altijd erg vroeg op om de vogels te horen ontwaken. Elke ochtend weer.
Stef heeft zijn voetbalshirt aan omdat hij straks naar de training gaat. In dat shirt zou hij zelfs gaan slapen.
Papa met zijn neus in de krant.
Het raampje boven de gootsteen op een kier. Of het nu zomert of wintert.
‘Jullie zullen wel een heleboel vragen hebben’, zegt mama. Ze kijkt indringend naar Lena en Stef. Lena wordt haast ongemakkelijk van de rode takjes. Het bloederige wandelpad in haar ogen.
Ze sluit haar eigen ogen en denkt: morgen is hij weg.
Ze denkt het traag, in de hoop dat ze op een vraag komt die past bij zo’n zin. Maar dat gebeurt niet. Dan opent ze haar ogen.
De enige vraag die er bij haar opkomt is wie er nu eigenlijk het eerst een broodje uit de mand zal nemen, want ze sterft zowat van de honger, Lena. Of is het van de zin? Want de broodjes ’s zaterdags zijn honderd keer lekkerder dan het gesneden brood in de week.
Moesten ze nu zonodig op zaterdag met zoiets aankomen, denkt Lena. Zaterdag is broodjesdag, niet moeilijke-dingen-dag. En op zaterdag is er ook nog eens zoveel tijd. Zoveel tijd om na te denken over een zin die ze niet echt begrijpt en over vragen die ze niet heeft. Haar maag gromt.
‘Waar gaat papa naartoe?’ vraagt Stef ineens. Hij likt een snor van melk weg.
Waarom kom ik niet op die vraag? Denkt Lena. Ik ben toch elf en Stef pas zeven?
‘Gewoon’, zegt mama.
Gewoon, denkt Lena. Wat een stom antwoord!
‘Ga je naar de hut?’ wil Stef weten. Zijn ogen schitteren. ‘Ja, je gaat natuurlijk naar de hut’, antwoordt hij zelf, omdat papa dat niet doet.
De hut in het Buitenbos. Papa gaat er een paar keer per week en ieder weekend heen. En de laatste tijd nog vaker. Soms blijft hij er ook slapen.
Daar ontwaken de vogels nog vroeger dan hier, heeft hij een keer gezegd. Dan blijf je maar beter slapen.
‘Joepie! Naar de hut!’, roept Stef.
Af en toe gaat Stef mee naar het Buitenbos. Dat vindt hij haast net zo leuk als voetballen, ook al moet hij er muisstil zijn.
Papa neemt een broodje en snijdt het doormidden. Dan kijkt hij naar mama. Hij legt het mes geluidloos op het bord. Iets wat Lena nooit lukt, hoe vaak ze het ook probeert.
‘Ik kan inderdaad eerst een tijdje naar de hut gaan’, zegt hij. Hij plukt een kruimeltje van de tafel en stopt het tussen zijn voortanden.
Mama knikt.
Lena haat het dat zij geen vragen weet en Stef wel. En wat ze nog meer haat is dat hij blijkbaar ook de antwoorden weet.
‘Maar je kunt niet mee, Stef’, zegt papa. Hij kijkt Stef niet aan.
‘Dan ga ik wat ballen trappen’, antwoordt Stef. Hij schuift van zijn stoel en loopt weg. Lena vindt het zielig en ze weet niet waarom.
Vandaag lijkt het of ze niks weet.
Lijkt
Vandaag
Het
Ze
Alsof…
Lena vloekt in zichzelf. Ze neemt een broodje en hapt er een veel te groot stuk uit dat ze nooit helemaal in haar mond krijgt. Ze voelt zich een kleuter. Ineens.
|